Teruglopend bioscoopbezoek in 1914Met de komst van de New-York Bioscoop in juli 1913 waren er in Utrecht acht vaste bioscopen: de Bioscoop-Salon Vreeburg, de Flora, de Union, de Splendid, de Scala, de Rembrandt, de Thalia en de New York. In het voorjaar van 1914 werd er in de kranten een teruglopend bioscoopbezoek gesignaleerd: 'Zonder dat er bepaalde reden voor is te vinden blijft het publiek weg: de bioscopen zijn leeg. (..) Een enkele van de grootste bioscopen, die van den beginne af aan, den loop van het meer gegoede publiek heeft gehad, door film-keuze en inrichting van het interieur, blijft nog wel bezoekers trekken, maar de z.g. volksbioscopen ondervinden momenteel de verandering van den tijdgeest', schreef het Utrechtsch Dagblad op 12 mei 1914.(1) In het voorjaar van 1914 zouden dan ook drie van dergelijke bioscopen voorgoed hun deuren sluiten: de Union, de Splendid en de Thalia Bioscoop. De verandering in het bioscoopbezoek in de jaren 1913 en 1914 is ook af te lezen aan de inkomsten van de belasting op de openbare vermakelijkheden. De gemeente had lang geaarzeld voor zij deze belasting invoerde, maar de noodzaak de inkomsten van de gemeente te verhogen had uiteindelijk de doorslag gegeven en op 1 mei 1913 werd de belasting ingevoerd. De uitgaansgelegenheden moesten 5% van hun opbrengsten aan de gemeente afdragen. Daarbij tekenden B&W aan: 'Vooral ook van de in deze Gemeente vrij talrijke bioscooptheaters kan een niet onbelangrijke bijdrage in deze belasting worden tegemoet gezien.'(2) Dat B&W daarin gelijk kregen blijkt uit het overzicht van de opbrengsten van deze belasting, dat het Utrechtsch Dagblad op 14 januari 1914 publiceerde. In totaal had deze belasting in de acht maanden dat zij geheven werd ƒ 12.227,68 opgebracht.(3) Daarvan hadden de bioscoopvoorstellingen met ƒ 4.451,25 veruit het meeste (ruim 36%) bijgedragen. Op de tweede plaats kwamen de muziek- en zanguitvoeringen en danspartijen met ƒ 2.577,29½ (21%). De toneelvoorstellingen brachten ƒ 1.933,69½ (ruim 15%) in het laatje. Na een jaar, op 1 mei 1914, was er in totaal ƒ 17.550,- aan vermakelijkheidsbelasting binnengekomen, waarvan de bioscoopvoorstellingen ƒ 6.400,- hadden bijgedragen (weer ruim 36%). Daarvan was in de eerste acht maanden ƒ 4.451,- opgebracht en in de laatste vier maanden ƒ 1.949,-. Uit het feit dat van de eerste acht maanden er vier zomermaanden waren, waarin het bioscoopbezoek doorgaans zeer gering was, terwijl de laatste vier maanden de drukke wintermaanden waren, leidde de krant af dat het bezoek in het voorjaar van 1914 sterk was teruggelopen.(4) Eind 1914, nadat er een sanering onder de bioscopen had plaatsgevonden, stijgt het bioscoopbezoek weer. Op 24 december 1914 publiceerde de Utrechtsche Courant een overzicht van de inkomsten van de Utrechtse bioscopen: 'De ontvangsten der vijf bioscopen in Juli j.l. beliepen een bedrag van ƒ 5265,88 tegen eene ontvangst van acht bioscopen in Juli 1913 van ƒ 9889,86. Uit het verloop der cijfers van de laatste maanden blijkt eene zeer aanmerkelijke stijging van het bioscoopbezoek: het ontvangstcijfer van de bioscopen steeg n.l. over Augustus, September en October resp. tot pl.m. ƒ 5500,-, pl.m. ƒ 8100,- en pl.m. ƒ 10250,-. Met dit laatste cijfer hebben de vijf bestaande bioscopen in October j.l. eene opbrengst bereikt, die bijna gelijk is aan het overeenkomstige cijfer van de acht bioscopen van October 1913 (pl.m. ƒ 10280,-). Eene evenredige stijging der belasting is daarmee gepaard gegaan.' Helaas zijn er geen gespecificeerde cijfers bewaard gebleven. Die zouden wellicht meer inzicht hebben kunnen verschaffen in de exploitatie van de afzonderlijke bioscopen. 1. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad) 12 mei 1914 2. Notulen Financieële Zaken 1913, 151-40 3. In de gemeentelijke stukken hierover komen iets afwijkende totaalcijfers voor. 4. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad) 22 mei 1914 |