Vraagtekens bij de filmexploitatie op de Utrechtse kermis van 1899

Op de Utrechtse kermis van 1899 stonden voor het eerst twee filmtenten: die van de H. Grünkorn, die ook al - maar dan in zijn eentje - op de kermis van 1897 en 1898 had gestaan, en die van H. Fey. Zeer veel Utrechters moeten tijdens de Utrechtse kermis van 1899 een filmvoorstelling zijn gaan zien. Dat niet iedereen precies van het systeem van de film op de hoogte was, blijkt uit een ingezonden brief in het Utrechtsch Nieuwsblad van 21 juli 1899: 'Mijnheer de Redacteur. Met de opname van onderstaande regelen zoudt u mij zeer verplichten. Woensdagavond de Cinematograaf van den heer Grünkorn bezoekende, kwam ik tot de ontdekking dat het 3e rang-publiek al heel weinig van de voorstelling geniet. Immers, die menschen zitten niet voor het doek, doch staan erachter, zoodat zij alles op den rug zien. Zou het niet wenschelijker zijn, indien de heer G. de 2 of 3 eerste banken van den 2en rang afzonderde voor het 3e rang publiek, daar deze rang bij de meeste voorstellingen toch niet geheel bezet is? (..) Een Kermisbezoeker.'

De brief toont niet alleen duidelijk het gebrek aan kennis van deze kermisbezoeker aan omtrent de techniek van de film, maar geeft ook een beeld van de indeling van Grünkorns tent. De goedkoopste plaatsen - '3de Rang 10 ct. staanplaatsen' - waren achter het doek, terwijl de eerste en tweede rang -respectievelijk 30 en 20 cent - aan dezelfde zijde van het doek waren als de projector.

De volgende dag al drukte de krant de reactie af van Antoine, de impresario van filmexploitant Grünkorn. Hij deelde mee dat het helemaal niet ongebruikelijk was zo te projecteren dat het publiek ten opzichte van de projector achter het doek zit en dat op die manier ook de films tijdens de Volksbondavond in Tivoli waren vertoond. Hij schreef onder andere: 'De inzender is bepaald beklagenswaardig te noemen, daar hij in dezen tijd nog niet weet, wat het kleinste kind hem kan vertellen, n.l. dat het projecteren van lichtbeelden even goed op transparant-wijze vertoond kan worden als anderszins.'(1)

Ook het Utrechtsch Dagblad ontving een ingezonden brief over de filmvoorstellingen op de kermis.(2) Deze brief was geschreven door iemand die zich 'een belastingbetalend burger' noemde. Hij stelde voor de staangelden op de kermis te verhogen: 'Deze tenten toch ontvangen, bij prijzen zoo als heden, bij elke voorstelling 72, wat door mij in deze week gedurende elke avond 1 keer nagegaan is. Ik weet wel dat elke voorstelling niet uitverkocht is, hoewel zeer vol, maar zeker is elken avond en middag bij elkaar 15 malen de zaal gevuld, dat is dus per dag een ontvangst, schrik niet, winkeliers! van 1080 - zegge ruim duizend gulden, of gedurende de 9 kermisdagen ongeveer 10.000, zegge tienduizend gulden. - Ik geloof dat hier een arbeidsveld voor belastingontheffing van den winkelstand ruim voorhanden is.'

De heer Antoine reageerde met het aanbod 'de belastingbetalende burger gaarne een doorloopend plaatsbewijs (te) willen afstaan, opdat elke voorstelling door hem kan nagegaan worden'(3), maar de andere filmexploitant op de Utrechtse kermis van 1899, heer H. Fey, ging in een reactie dieper op de materie in. Hij wilde ' (..) graag eenige opheldering geven. 's Middags ten twee ure wordt de eerste voorstelling gegeven, en zoo vervolgens om het uur een voorstelling, tot twaalf uur 's avonds. In de middag-voorstelling bestaat het publiek voor tweederde gedeelte uit kinderen, die half geld betalen, waardoor de inkomsten van 15 tot 20 afwisselen. In de avond-voorstellingen wordt 40 - 45 ontvangen. In iedere voorstelling worden 3000 films (photo's) gebruikt, elke 50 films kosten 30, en daar films zeer teer zijn, zijn zij na 30 à 40 maal gebruikt te zijn, onbruikbaar. Hierdoor heb ik van af 1 Maart tot op heden voor reeds 4500 aan films gebruikt. Schrik niet, winkeliers; als ik u meedeel, dat ik voor mijn standplaats 370 aan de gemeente betaal. Mijn personeel bestaat dagelijks uit 10 man, die hoog loon verlangen; aan reclame is reeds voor 100 besteed en ook alle andere onkosten zijn enorm. Ten slotte nog, als mijn tent van daag of morgen afbrandt, heb ik niets meer, daar geen maatschappij ze verzekeren wil.'(4)

De verschillende brieven bevatten veel gegevens over het financiële reilen en zeilen van de kinematograaftenten, maar veel blijft toch nog onduidelijk. Waarschijnlijk heeft de 'belastingbetalende burger' de inkomsten van de beide filmtenten bij elkaar genomen. Anders zou hij nooit op vijftien uitverkochte voorstellingen zijn gekomen. Zowel Fey als Grünkorn begonnen om twee uur 's middags met hun voorstellingen en gaven dan tot twaalf uur 's nachts elk uur een voorstelling. De laatste voorstelling begon om elf uur 's avonds. Dat zijn dus tien voorstellingen per tent per dag. Fey kwam volgens zijn brief met tien voorstellingen, inclusief drie kindervoorstellingen, op een gemiddelde dagopbrengst van 350,-. De briefschrijver schatte de opbrengst per tent op 540,- ( 1080,- voor beide tenten samen). Deze briefschrijver maakte overigens een curieuze fout. Als er in beide tenten 15 uitverkochte voorstellingen zijn geweest, die dan 1080,- opbrachten, dan moeten er nog vijf voorstellingen zijn gegeven die weliswaar niet uitverkocht waren, maar die toch ook geld in het laatje brachten. De totaalopbrengst zou dus nog hoger moeten zijn geweest dan de briefschrijver had berekend. Nu kwam hij op een bedrag van ongeveer 10.000,- voor beide tenten over de hele kermis. Fey noemde een gemiddelde dagomzet van 350,-. Dat is over de negen kermisdagen - de kermis duurde overigens geen negen, maar tien dagen: van donderdag tot en met de zaterdag in de week erna - in totaal 3150,-. Voor beide tenten zou dat dus ongeveer 6300,- zijn. Hoe hoog zijn toegangsprijzen waren, heeft Fey helaas niet in zijn advertentie vermeld. Grünkorn deed dat wel. Zijn prijzen waren 1e rang: 30 cent (kinderen 20 cent), 2e rang 20 cent (kinderen 15 cent) en 3e rang 10 cent.(5) De prijzen van Fey zullen wel niet anders zijn geweest. Grünkorns prijzen waren overigens hoger dan de prijzen die hij op de kermis van 1897 en 1898 vroeg. Toen moest er respectievelijk 25, 15 en 10 cent betaald worden. Wellicht had hij zijn prijzen opgetrokken, omdat hij nu een Utrechts succesnummer kon brengen: de opnamen van de Utrechtse brandweer. Fey berekende op de Nijmeegse kermis van oktober 1899 ook 25, 15 en 10 cent.(6) Maar het is heel goed mogelijk dat ook hij in Utrecht hogere prijzen vroeg. Ook hij had immers Utrechtse succesnummers: de zwempantomime en het uitgaan van een kerk.

Uitgaande van Grünkorns toegansprijzen en de bedragen aan recettes zoals Fey en de 'belastingbetalende burger' die genoemd hebben, zijn enkele voorzichtige conclusies mogelijk over het aantal bezoekers van de kinematograaftenten tijdens de kermis van 1899. De gemiddelde toegangsprijs voor de kindervoorstellingen was 15 cent, voor de overige voorstellingen 20 cent. Hoe het aantal plaatsen over de verschillende rangen was verdeeld, is niet bekend, evenmin als de totale capaciteit van de tenten. Maar bij een gemiddelde toegangsprijs van 15 cent en een opbrengst van 15,- tot 20,- moet het gemiddelde aantal bezoekers tijdens de middagvoorstellingen ongeveer 115 per voorstelling zijn geweest. 's Avonds moeten er bij een gemiddelde toegangsprijs van 20 cent en een recette van 40,- tot 45,- gemiddeld ongeveer 210 toeschouwers per voorstelling de tent hebben bezocht. Zou er 72,- bij een voorstelling zijn binnengekomen, dan moeten er ongeveer 360 bezoekers in de tent zijn geweest. Uitgaande van de inkomsten die Fey noemde, zouden er ongeveer 1815 bezoekers per dag zijn tent hebben bezocht. Dat is over tien kermisdagen 18.150 bezoekers. De twee kinematograaftenten zouden dan samen tijdens de kermis 36.300 bezoekers hebben gehad. Dat is voor een stad met in 1899 ongeveer 100.000 inwoners(7) geen gering aantal. Afgaande op de bedragen die de 'belastingbetalende burger' noemde, zouden zelfs zo'n 72.000 toeschouwers de filmvoorstellingen hebben bezocht.

De 'belastingbetalende burger' en de heer Fey hadden ieder zo hun eigen belangen bij het opgeven van de cijfers. Waarschijnlijk zijn dan ook geen van beide opgaven helemaal juist. Ze leveren wel interessant materiaal op dat met eventuele andere gegevens een nauwkeuriger beeld kan geven van de bezoekersaantallen en inkomsten van de kinematograaftenten rond de eeuwwisseling.

Het is interessant nog even stil te staan bij het pachtgeld dat Fey voor zijn standplaats moest betalen. Hij schreef dat hij 370,- aan de gemeente moest betalen voor zijn standplaats. Uit de gemeentelijke archieven blijkt dat hij voor zijn kinematograaftent 355,- betaalde.(8) Het is echter mogelijk dat hij voor een plaats voor een woontent of -wagen nog 15,- moest betalen. Voor zijn inrichting op het Vreeburg werd hij aangeslagen volgens het gewone jaarmarkttarief van 1,- per m voor de eerste 50 m en 0,50 voor iedere volgende m. Dat kwam voor de tent van Fey, die 160 m groot was, neer op een bedrag van 105,-. Fey had echter eerder voor 250,- een standplaats gepacht op de Mariaplaats. Omdat hij bij nader inzien toch liever op het drukke Vreeburg stond, had hij die plaats niet ingenomen. Hij moest het pachtgeld voor die plaats wel betalen, zodat hij uiteindelijk 355,- kwijt was. Zijn concurrent Grünkorn betaalde voor zijn tent van 76 m net als in de voorgaande jaren slechts 63,-.

1. Utrechtsch Nieuwsblad, 22 juli 1899

2. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 20 juli 1899

3. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 21 juli 1899

4. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 21 juli 1899

5. Utrechtsch Nieuwsblad, 14 juli 1899

6. Maden, F. van der, Mobiele filmexploitatie in Nederland 1895-1913, voorzover het mogelijk is deze te beschrijven en te analyseren aan de hand van de ontwikkeling te Nijmegen. Nijmegen, 1981. pag. 40

7. Struick, J., Utrecht door de eeuwen heen. Utrecht/Antwerpen, 1971. pag. 361

8. Notulen B&W Financieële Zaken 1900, 67 R

De reizende bioscoop - Volgende