De gestolen projector: Friedrich Rosenhövel in Choorstraat 9van 20 november tot 31 december 1897 en van 19 februari tot ?? 1898 In de winter van 1897 waren er levende beelden te zien in de Choorstraat. Friedrich Rosenhövel uit Rotterdam had voor de duur van twee maanden het pand Choorstraat 9 afgehuurd om er voorstellingen met een kinematograaf te geven, waarbij ook de fonograaf ten gehore zou worden gebracht. Hij vroeg daarvoor vergunning aan het college van B&W. In zijn advies over deze aanvraag schreef de hoofdcommissaris van politie: '(..) dat de adressant door zijne voorstellingen te geven in een particulier huis, rekent op een meer beschaafd publiek, dat tegen entree van 25 cents per persoon overdag en tegen 10 cents bij avond toegang heeft.'(1) Hij had, als aan enkele voorwaarden werd voldaan, geen bezwaar tegen de voorstellingen. Ook de commandant van het brandwezen stelde voor, onder bepaalde voorwaarden, de gevraagde vergunning te verlenen. Op 20 november kon Rosenhövel met zijn voorstellingen beginnen. Wat hij vertoonde is niet duidelijk. Uit de advertenties die Rosenhövel plaatste, blijkt alleen dat deze 'Levende photographiën met het grootste succes vertoond (zijn) voor H.M. de Koningin-Regentes in den Haag'.(2) De voorstellingen moeten tamelijk succesvol verlopen zijn, want op 1 december vroeg Rosenhövel toestemming aan B&W om op bepaalde dagen zijn attractie 's avonds langer te mogen openhouden. Die vergunning werd hem verleend.(3) Ook kreeg hij toestemming om, ten einde het bezoek te bevorderen, een verloting te houden.(4) Op 2 januari moest Rosenhövel zijn voorstellingen noodgedwongen staken, omdat zijn twee medewerkers zijn
toestel met toebehoren hadden ontvreemd en ermee naar Londen waren gevlucht. Deze medewerkers, in de
kranten aangeduid als E.R. en P.S., werden al na enkele dagen in Londen gearresteerd en zijn voor hun daad,
die ze verdedigden op grond van het feit dat Rosenhövel hun nog geld schuldig zou zijn, uiteindelijk beiden tot
een jaar gevangenisstraf veroordeeld.(5) Rosenhövel kreeg echter zijn toestel, waarvan de waarde op 1800,-
werd geschat, niet terug. De voorstellingen in november en december waren kennelijk voor Rosenhövel
profijtelijk geweest, want vanaf 19 februari hervatte hij zijn voorstellingen in het pand Choorstraat 9. Volgens
zijn nieuwe vergunningaanvrage wilde hij drie of vier weken blijven.(6) Rosenhövel gaf zijn voorstellingen met
een toestel dat de heer 'F. v.d. Maas' uit Amsterdam kosteloos aan hem had afgestaan.(7) Dit zou de door
Adriaan Briels genoemde G.F. van der Maas geweest kunnen zijn, die in november 1897 voorstellingen gaf in
het pand Rembrandtsplein 21. Volgens Briels was Van der Maas behanger en is hij dat ook gebleven.(8)
Wellicht is dat ook de reden dat hij zijn kinematograaf aan Rosenhövel kon afstaan.
1. Notulen B&W 1897, 103-70
2. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 12 dec. 1897
3. Notulen B&W 1897, 103-90
4. Notulen B&W 1897, 103-107
5. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 18 en 26 april 1898
6. Notulen B&W 1898, 104-41
7. Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (Utrechtsch Dagblad), 19 febr. 1898
8. Briels, A., De intocht van de levende photographie in Amsterdam. Amsterdam, 1971. pag. 33 |